Verwijderen van (een deel van) de maag
Het verwijderen van de maag wordt een maagresectie genoemd. Soms worden ook (delen van) omliggende organen verwijderd.
Wat is het verwijderen van (een deel van) de maag?
Bijna alle operaties aan de maag worden gedaan omdat iemand (erfelijke) maagkanker heeft. Diffuse maagkanker betekent dat tumoren op veel verschillende plekken in de maag groeien. Daardoor kan het lastig zijn de kanker te ontdekken, of alle tumoren te verwijderen bij een operatie. Soms is dan de beste optie om de hele maag weg te halen.
Mensen met erfelijke diffuse maagkanker hebben een aanleg voor het krijgen van maagkanker. Dat betekent dat je een afwijkend gen hebt in je DNA. DNA is de informatie in al je lichaamscellen die bepalen hoe jouw lichaam in elkaar zit. Door het afwijkende gen is de kans groot dat je diffuse maagkanker krijgt. Je hebt dan de optie om je maag te laten verwijderen, voordat je tumoren hebt. Dat is de enige manier om zeker te weten dat je geen maagkanker krijgt, als je het afwijkende gen hebt.
De maag kan deels of helemaal worden verwijderd. Het verwijderen van de maag wordt een maagresectie genoemd. Soms worden ook (delen van) omliggende organen verwijderd.
Voor de operatie
Voor een operatie zijn eerst een aantal onderzoeken nodig. De arts moet weten waar de tumor precies zit en hoe groot de tumor is. Ook moet duidelijk zijn in welk stadium de ziekte is. Dat betekent dat de arts kijkt hoe ver de tumor is gegroeid. Bijvoorbeeld door de wand van de maag heen of naar organen in de buurt. Ook kijkt de arts of er uitzaaiingen zijn op andere plekken in het lichaam.
De volgende onderzoeken kunnen duidelijkheid geven:
- gastroscopie: een kijkonderzoek van de maag. De arts brengt via je mond en slokdarm een dunne, buigzame slang naar je maag. De arts maakt op die manier scans van de maag. Soms wordt een gastroscopie gecombineerd met een inwendige echo. Dit heet echo-endografie. Daarmee kan de arts zien hoe ver de tumor door de maagwand is gegroeid. Dit is zelden nodig, omdat de arts al veel kan zien op de scans.
- diagnostische laparoscopie (DLS) om te kijken of er uitzaaiingen zijn op het buikvlies. Bij een diagnostische laparoscopie maakt de arts kleine sneetjes in de buikwand. Via die sneetjes brengt de arts een kleine camera (laparoscoop) in. Zo kan de arts de organen van de buik en het buikvlies goed zien. De arts kan dan mogelijke afwijkingen zien die niet goed te zien zijn op de scan.
Meestal controleert de arts ook je algemene conditie. Zo kan de arts beoordelen of je het veilig is om de operatie uit te voeren.
Daarvoor kunnen de volgende onderzoeken nodig zijn:
- longfoto
- hartfilmpje
- bloedonderzoek
Thuis kun je je ook voorbereiden op de operatie. Als je rookt, is het belangrijk om te stoppen. Als je rookt, is de kans op een nabloeding en trombose groter. Bij trombose ontstaat er een bloedstolsel in een bloedvat. Daardoor stroomt het bloed op die plek minder goed. Het is dan ook lastiger voor je lichaam om de nieuwe aansluiting van je slokdarm op de dunne darm te genezen.
Het is ook goed om veel te bewegen, als dat lukt. Daarmee verbeter je de conditie van je hart en longen. Zo ga je gezonder de operatie in.
Als derde is het een voordeel als je een gezond gewicht hebt. Dat kan lastig zijn als je maagkanker hebt, omdat je dan vaak minder goed kunt eten. Een diëtist kan je helpen om op een gezond gewicht te komen. Soms is drinkvoeding hiervoor nodig.
Tijdens de operatie
Voorbereiding
Voor de operatie krijg je meestal een infuus met vocht. Tijdens de operatie verlies je namelijk veel vocht.
Soms krijg je op de operatiekamer eerst een ruggenprik. Daarbij plaatst de arts een heel dun slangetje in je rug. Via dit slangetje krijg je pijnstilling. Daardoor is er een minder zware narcose nodig en heb je na de operatie minder pijn. Deze manier van pijnstilling geeft vaak ook minder bijwerkingen dan pijnstilling via een infuus. Daardoor voel je je na de operatie meestal beter.
De operatie gebeurt onder algehele narcose. Dit betekent dat je hele lichaam verdoofd is en dat je tijdens de operatie in slaap wordt gehouden.
De operatie
Na de voorbereiding brengt de arts je via het infuus in slaap. Ook krijg je antibiotica. Meestal wordt een maagverwijdering via een kijkoperatie (laparoscopie) uitgevoerd. De chirurg maakt dan 4 tot 5 kleine sneetjes in de buik. Maar dat kan niet altijd. Soms moet de chirurg een snee maken in de buik van borstbeen tot net boven de navel.
Als de maag of een deel van de maag is verwijderd, verbindt de chirurg het overgebleven deel met de dunne darm of de slokdarm. De nieuwe verbinding heet een anastomose. Er zijn verschillende manieren (methoden) waarop de chirurg de verbinding kan maken. Welke operatie je precies krijgt, hangt af van de plaats en grootte van de tumor. Hieronder lees je meer over de verschillende manieren van opereren.
Na de operatie
Na de operatie blijf je nog een paar dagen in het ziekenhuis liggen. Je bloeddruk, hartslag en ademhaling kunnen dan goed in de gaten gehouden worden. Zelf ademen kan na een grote buikoperatie moeilijk zijn. Ook heb je na de operatie verschillende slangetjes. Deze slangetjes worden in de dagen daarna verwijderd. Hoe snel dat kan, hangt af van hoe snel je herstelt.
Je kunt de volgende slangetjes hebben:
- een infuus voor vocht en medicijnen
- een dun slangetje in je rug vanwege de ruggenprik. Via dit slangetje krijg je pijnstilling.
- een slangetje in je neus dat naar je maag gaat. Dit heet een neussonde of maaghevel. Via dit slangetje wordt extra maagsap afgevoerd.
- een slangetje in je buik (drain). Hierdoor kunnen bloed en wondvocht uit je buik worden afgevoerd.
- een blaaskatheter om urine af te voeren
- een dun slangetje in je neus voor sondevoeding. Via dit slangetje komt de voeding direct in je dunne darm. Soms krijg je na een maagoperatie tijdelijk voeding via een infuus. Dit heet parenterale voeding. De voedingsstoffen komen dan direct in je bloed.
- een beademingsbuis in je keel. Heel soms kan het zijn dat deze buis er nog zit als je wakker wordt.
Na een maagverwijdering begin je langzaam weer met zelf drinken. Daarna ga je van vloeibare voeding over op gewone, vaste voeding.
Bewegen helpt bij je herstel. Daarom is het goed om zo snel mogelijk uit bed te komen, als dat lukt. De arts en verpleegkundigen laten je weten wanneer dat mag. Bewegen helpt je spijsvertering weer op gang. Ook zorgt het ervoor dat je bloed goed blijft stromen. Dit verkleint de kans op trombose. Bij trombose ontstaat een bloedstolsel in een bloedvat. Om trombose te voorkomen, krijg je de eerste dagen elke dag een prik in je been.
Het is ook belangrijk om goed te letten op je ademhaling. Probeer diep door te ademen. Dat kan lastig zijn, omdat je buik na de operatie pijn kan doen. Toch is goed ademen belangrijk. Het verkleint de kans op een longontsteking of longembolie. Bij een longembolie zit er een bloedstolsel vast in een bloedvat in de longen.
Als alles goed gaat, mag je na twee tot zes dagen naar huis.
Complicaties na de operatie
Aan elke operatie zitten risico's. De kans op problemen na de operatie (complicaties) is klein, maar ze kunnen wel ontstaan. De arts bespreekt deze mogelijke problemen voor de operatie met je.
Complicaties die na elke operatie kunnen ontstaan zijn:
- een nabloeding
- een wondinfectie
- een longontsteking
- trombose. Hierbij ontstaat een bloedstolsel in een bloedvat. Daardoor stroomt het bloed op die plek minder goed. Een bloedstolsel kan ook losraken en ergens anders in het lichaam vast komen te zitten. Komt het stolsel in de longen terecht, dan kan een longembolie ontstaan. Dit is een ernstig probleem.
Na een maagoperatie kunnen ook andere problemen ontstaan:
- een gaatje in een orgaan in de buurt
- naadlekkage. Dit is een lekkage op de plek waar de chirurg een nieuwe verbinding tussen organen heeft gemaakt (bij de anastomose).
- een vernauwing op de plek van een nieuwe verbinding (stenose). Dit kan ontstaan door een ontsteking of littekenweefsel.
Klachten door de maagresectie
Na de maagresectie kan je klachten krijgen. Veel mensen hebben kort na de operatie last van klachten. Dit komt door de veranderingen in het spijsverteringskanaal. Welke klachten je krijgt en hoe ernstig ze zijn, verschilt per persoon. Dit hangt onder andere af van de manier waarop je bent geopereerd.
Bij de meeste mensen worden de klachten na een tijd minder of verdwijnen ze helemaal. Het lichaam past zich namelijk aan de nieuwe situatie aan. Sommige klachten blijven bestaan. Andere klachten ontstaan pas langere tijd na de operatie.
Klachten die kort na de operatie kunnen ontstaan zijn:
Klachten die langere tijd na de operatie kunnen ontstaan zijn:
Tips na het verwijderen van (een deel van) de maag
- Na een maagresectie kun je meestal gewoon gezond eten. Het is belangrijk om genoeg vezelrijke producten te eten.
- Eet rustig en kauw je eten goed. Je mond en dunne darm nemen namelijk een deel van de taken van de maag over. Ze helpen om het eten kleiner te maken, te mengen en in kleine hoeveelheden door te geven.
- Heb je last van misselijkheid, overgeven, snel een vol gevoel of gewichtsverlies? Dan kan het helpen om meerdere kleine maaltijden per dag te eten in plaats van drie grote maaltijden. Probeer 6 tot 8 kleine maaltijden per dag te eten.
- Op onze pagina over het dumpingsyndroom vind je meer informatie en adviezen over voeding. Het is verstandig om na een maagoperatie advies over voeding te vragen aan je specialist of een diëtist. Zij kunnen advies geven dat past bij jouw situatie. Dit kan helpen om klachten en tekorten aan voedingsstoffen op de lange termijn zoveel mogelijk te voorkomen.
We houden je graag op de hoogte
MDL Fonds geeft je graag betrouwbare en juiste informatie. Ben je blij met onze voorlichting? Steun ons! Want MDL Fonds ontvangt geen subsidie. We zijn volledig afhankelijk van donateurs.
Veelgestelde vragen over het verwijderen van (een deel van) de maag?
Colofon
Deze informatie is geschreven door MDL Fonds.
In samenwerking met:
Dr. Tanya Bisseling, MDL-arts, Radboud UMC
Dr. Mark van Berge Henegouwen, GI-chirurg, Amsterdam UMC
Laatst herzien:
Oktober 2026